LUISTERGOED
Informatie
Cursussen
Materiaal
Contact
 
De Bremer stadsmuzikanten
Gebroeders Grimm
 
In tijden dat trouw nog vanzelfsprekend was leefde er eens een man met een ezel. Jarenlang had het dier de zakken onverdroten naar de molen gedragen, maar zijn krachten verminderden en hij werd ongeschikt voor ‘t zware werk. Toen bedacht zijn meester hoe ‘t hem minder duur in de kost zou worden, maar de ezel merkte dat de wind uit de verkeerde hoek woei, hij liep weg en ging naar Bremen; daar dacht hij, kon hij wel stadsmuzikant worden.

Toen hij een poosje gelopen had, vond hij een jachthond, liggende op de weg, hijgend als één die zich moe heeft gelopen. "Nu, wat hap jij naar lucht, Pakaan?" vroeg de ezel. "Ach," zei de hond, "nu ik oud ben en elke dag minder word, en ik ook op de jacht niet veel meer waard ben, heeft mijn meester me willen doodslaan; toen ben ik weggelopen, maar waar moet ik nu de kost mee verdienen?" "Weet je wat," zei de ezel, "ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel de luit en jij slaat de pauken." Dat vond de hond best, en zo gingen ze verder.

Het duurde niet lang of daar zat een kat op de weg, met een gezicht als drie dagen slecht weer. "Nu, wat zit jou dwars, arme snorrenbaard?" sprak de ezel. "Wie kan nu schik hebben, als ‘t om je hals gaat," antwoordde de kat, "omdat ik nu op jaren kom en mijn tanden stomp worden en ik liever bij de kachel zit te spinnen, dan rond te jagen naar muizen, heeft de vrouw me willen verdrinken. Nu ben ik weggelopen, maar goede raad is duur: waar moet ik heen?" "Ga jij met ons mee naar Bremen, je bent toch een goeie nachtmuzikant, daar kan je stadsmuzikant worden." Dat vond de kat best en ze liep mee.

Daar kwamen de drie weggelopen zondaars langs een hoeve en op de poort zat de huishaan en schreeuwde uit alle macht. "Je kraait dat ‘t iemand door merg en been gaat," sprak de ezel, "wat scheelt er aan?" "Ik had goed weer voorspeld," zei de haan, "omdat ‘t vandaag Onze Lieve Vrouwendag is, toen ze ‘t Kerstkindje z’n hemdje gewassen heeft en ‘t drogen wou; maar nu morgen, met de zondag, gasten komen, heeft de vrouw toch geen medelijden met me en ze wil me morgen in de soep stoppen en vanavond moet ik m’n kop laten afsnijden. Nu kraai ik maar zolang en zo hard als ik kan." "Och kom, domme Roodkop," zei de ezel, "trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen, iets beters dan de dood kun je overal vinden; je hebt een prachtstem en als we samen muziek gaan maken, dan zal dat prachtig klinken." De haan ging op het voorstel in, en zo togen ze alle vier samen op reis.

Maar in één dag konden ze niet naar Bremen komen, ‘s Avonds bereikten ze een bos, waar ze wilden overnachten. De ezel en de hond gingen liggen aan de voet van een grote boom, de kat ging in de takken, maar de haan vloog in de top, want dat vond hij het veiligst. Vóór hij insliep, keek hij nog éénmaal alle vier de windstreken na, en toen meende hij dat hij heel in de verte een lichtje zag branden. Hij riep zijn kameraden toe, dat er niet ver vandaar een huisje moest zijn, want hij zag licht. De ezel sprak: "Dan moeten we daar nog maar heengaan, want dit is geen beste herberg." De hond zei: "en stuk vlees en wat been zou mij ook goeddoen." Dus togen ze alle vier in de richting waar het licht vandaan kwam, en het werd helderder, en groter, en eindelijk stonden ze voor een groot rovershuis. De ezel, de grootste, ging naar ‘t raam en keek naar binnen. "Wat zie je, Grauwtje?" vroeg de haan. "Wat ik zie?" zei de ezel, "een gedekte tafel zie ik met heerlijk eten en drinken, en er zitten rovers aan en ze smullen." "Dat zou wat voor ons zijn," zei de haan. "Ja ja, waren we er maar," zei de ezel.

Toen beraadslaagden de dieren, hoe ze het zouden aanleggen om de rovers weg te jagen. Eindelijk vonden ze een middel. De ezel zou met de voorpoten op de vensterbank gaan staan, de hond op de rug van de ezel, de kat bovenop de hond en de haan op de kop van de kat. Zo gezegd zo gedaan. Toen ze zo opgesteld waren, gaf de ezel ‘t teken en ze begonnen: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide; toen stortten ze zich door het venster in de kamer, zodat de ruiten kletterden. De rovers vlogen bij ‘t ontzettend geschreeuw overeind, ze dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen, en ze vluchtten in grote angst het bos in. Nu gingen de vier reizigers aan tafel, namen de rest van de maaltijd voor lief, en aten alsof ze in geen vier wekeneten zouden krijgen.

Toen de vier muzikanten klaar waren, deden ze de lichten uit en zochten ieder een geschikte slaapplaats. De ezel ging op de mest liggen, de hond achter de deur, de kat in de haard op de warme as, en de haan op de hanenbalken; ze waren heel moe van hun lange tocht en sliepen dadelijk in.

De Bremer stadsmuzikanten

Er was eens een man met een ezel. Jarenlang had het dier de zakken onverdroten naar de molen gedragen maar zijn krachten werden minder en hij werd ongeschikt voor het zware werk. Toen bedacht zijn meester hoe het hem minder duur in de kost zou worden, maar de ezel merkte dat de wind uit de verkeerde hoek woei, hij liep weg en ging op pad. Op pad naar Bremen, want zo dacht hij, daar kon hij wel stadsmuzikant worden. Nadat hij al een eind gelopen had, zag hij een jachthond op de weg liggen, hijgend als één koe zich moe heeft gelopen. "Nu, wat hap jij naar lucht, Pakaan?" vroeg de ezel. "Ach", zei de hond, "nu ik oud ben en elke dag minder word, en op de jacht niet veel meer waard ben, heeft mijn meester me willen doodslaan. Toen ben ik weggelopen, maar hoe moet ik nu de kost verdienen?" "Weet je wat?" zei de ezel, "ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel de luit en jij slaat de pauken." Dat vindt de hond best, en zo gingen ze verder. Het duurde niet lang of ze zagen een kat op de weg, met een gezicht als drie dagen slecht weer. "Nu wat zit jou dwars, arme snorrebaard?" vroeg de ezel. "Wie kan nu schik hebben als het om je hals gaat", antwoordde de kat, "omdat ik nu jaren kom en mijn tanden stomp worden en ik liever bij de kachel zit te spinnen, dan rond te jagen op muizen, heeft de vrouw mij willen verdrinken. Nu ben ik weggelopen, maar goede raad is duur: waar moet ik heen?" "Ga met ons mee naar Bremen, je bent een goeie nachtmuzikant, daar kun je stadsmuzikant worden." Dat vond de kat goed en ze liep mee.
 
Na weer even gelopen te hebben kwam het drietal langs een hoeve en op de poort zat de huishaan en schreeuwde uit alle macht. "Je kraait dat 't iemand door merg en been gaat," zei de ezel. "wat scheelt er aan?" "Ik had goed weer voorspeld," zei de haan, "omdat 't vandaag Onze Lieve Vrouwendag is, toen ze 't Kerstkindje z'n hemdje gewassen had en drogen wou. Maar nu morgen, met de zondag, gasten komen, heeft de vrouw toch geen medelijden met me en ze wil me morgen in de soep stoppen en vanavond moet ik m'n kop laten afhakken. Nu kraai ik maar zolang en zo hard ik kan." "Och kom, domme Roodkop," zei de ezel, "trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen. Iets beters dan de dood kun je overal vinden. Je hebt een prachtstem en als we samen muziek gaan maken, dan zal dat prachtig klinken." De haan ging op het voorstel in, en zo togen ze alle vier samen op reis.
 
Maar in één dag konden ze niet naar Bremen komen. 's Avonds bereikten ze een bos, waar ze wilden overnachten. De ezel en de hond gingen liggen aan de voet van een grote boom, de kat ging in de takken. Maar de haan vloog in de top, want dat vond hij het veiligst. Vóór hij insliep keek hij nog éénmaal alle vier de windstreken na, en toen meende hij dat hij heel in de verte een lichtje zag branden. Hij riep zijn kameraden toe, dat er niet ver vandaar een huisje moest zijn, want hij zag licht. De ezel sprak: "Dan moeten we daar nog maar heengaan, want dit is geen beste herberg." De hond zei: "En een stuk vlees en wat been zou mij ook goeddoen." Dus gingen ze alle vier in de richting waar het licht vandaan kwam. Het licht werd helderder, en groter, en eindelijk stonden ze voor een groot rovershuis. De ezel, de grootste, ging naar het raam en keek naar binnen. "Wat zie je Grauwtje?" vroeg de haan. "Wat ik zie?" zei de ezel, "een gedekte tafel zie ik met heerlijk eten en drinken. er zitten rovers aan en ze smullen." "Dat zou wat voor ons zijn," zei de haan. "Ja ja, waren we er maar," zei de ezel. Toen beraadslaagden de dieren, hoe ze het zouden aanleggen om de rovers weg te jagen. Eindelijk vonden ze een middel. De ezel zou met de voorpoten op de vensterbank gaan staan, de hond op de rug van de ezel, de kat daar weer boven op, en de haan weer bovenop de kat. Zo gezegd zo gedaan. Toen ze zo opgesteld waren, gaf de ezel het teken en ze begonnen: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide. Toen stortten ze zich door de venster in de kamer, zodat de ruiten kletterden. De rovers vlogen bij het ontzettend geschreeuw overeind, ze dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen. En ze vluchtten in grote angst het bos in. Nu gingen de vier reizigers aan tafel, namen de rest van de maaltijd voor lief, en aten alsof ze in geen vier weken eten zouden krijgen.
 
Toen de vier muzikanten klaar waren, deden ze de lichten uit en zochten ieder een geschikte slaapplaats. De ezel ging op mest liggen, de hond achter de deur, de kat in de haard op de warme as, en de haan op de hanebalken. Ze sliepen al snel in. Na middernacht, toen de rovers van verre zagen dat er geen licht meer in huis brandde, en alles doodstil was, zei de roverhoofdman: "We hadden ons toch eigenlijk niet zo moeten laten wegjagen," en hij beval één van hen naar binnen te gaan om een kijkje te nemen.
 
De afgezant vond alles stil en sloop naar de keuken om licht te maken. En hij nam een zwavelstok want hij wilde die aansteken aan twee vurige kolen die hij zag gloeien. Maar de kat vond dat niet leuk, vloog hem in zijn gezicht en krabde hem. Hij schrok, en wou door de achterdeur ontsnappen, maar toen trapte hij op de hond en die beet hem in zijn been. Hij rende weg over de hof langs de mesthopen en de ezel gaf hem flinke trap met zijn achterpoot. De haan die van het gestommel wakker was geworden, riep van de hanebalk: "Kukeleku!!" En de rover liep wat zo hard als hij kon, kwam bij de roverhoofdman en zei: "Het huis is ingenomen door een gruwelijke heks, ze heeft me met haar harde vingers in het gezicht gekrabd, en voor de deur staat een kerel met een mes die me in mijn been stak. Op de hof ligt een zwart ondier dat met een knots op mij lossloeg, en bovenop het dak zit de rechter en roept: "Hier met de schurk!" zodat ik maakte dat ik wegkwam." Nu durfden de rovers voortaan niet meer in het huis, maar de vier Bremer Stadsmuzikanten vonden het er zo heerlijk, dat ze er bleven. En dit verhaal wordt over hen verteld!"
 
De chinese nachtegaal
 
Er was eens... een oude Chinese keizer. Hij woonde in China in het prachtigste paleis van de hele wereld. De deurknoppen waren van puur goud. En alles was gemaakt van het kostbaarste porselein. De muren, de daken, ja, zelfs de troon van de keizer was van porselein. Je begrijpt natuurlijk wel, dat iedereen in het paleis op vilten pantoffeltjes liep. Zo glibberden ze voorzichtig door de gangen. De kinderen vonden dat geweldig! Want als je een aanloopje nam, dan kon zó de hele paleisgang doorglijden. Niet dat dat de bedoeling was natuurlijk. Maar ja.
 
Aan het paleis grensde de paleistuin. Ook deze tuin was een wondertje van schoonheid. De tuin was zo groot, dat niemand wist waar de tuin eigenlijk ophield. Zelfs de tuinman wist dat niet. Wel wist hij dat, als je een halve dag je neus achterna liep, je bij een groot, donker woud kwam. Op een open plek in dit woud stonden drie blauwe sparren. En in één van de sparren woonde een nachtegaal. En die nachtegaal kon zingen! Hij zong zo mooi, dat de tranen je na een tijdje over de wangen biggelden. Zonder dat je het merkte.
 
Vanuit de hele wereld kwamen mensen naar het hof van de keizer om zijn prachtige paleis en zijn beeldschone tuin te bewonderen. Ze riepen "OH!" en kijk daar eens!" Of ze waren gewoon stil van al het moois dat ze aanschouwden. Naar over één ding waren ze het allemaal eens: het allermooiste was het gezang van de nachtegaal. Daar kon niets tegen op. Weldra was de nachtegaal bekend in de hele wereld. Geleerden schreven dikke boeken over het paleis en de wonderlijke nachtegaal. Dichters dichttten over de nachtegaal. Op een dag kwam één van die gedichten in de handen van de keizer, die in zijn pyjama een kopje Chinese thee zat te drinken. Tevreden bladerde hij in een boek. Het boek ging over de schoonheid van het paleis... nou, dat las hij graag. Opeens werden zijn ogen zo rond als schoteltjes. "Nachtegaal?", riep hij. "Ik weet van geen nachtegaal. Moet ik in een boek lezen dat er een bijzondere nachtegaal in mijn tuin zingt! Hofmaarschalk!" brulde hij razend. Daar kwam de hofmaarschalk al aanhollen. Deze man, deze hofmaarschalk, vond zichzelf zo deftig, dat hij nooit het woord tot iemand van mindere afkomst richtte. Het was een echte klier, die hofmaarschalk.
 
"Waarom weet ik niets over dei nachtegaal die in mijn tuin leeft?" "Nachtegaal?", sprak de hof- maarschalk. "Puh! Die ken ik niet. Die is nog nooit aan het hof voorgesteld!" "Ik wil dat die nachtegaal hier vanavond komt zingen! Zorg dat je hem vindt!" De hofmaarschalk snelde het keizerlijke vertrek uit. Op zijn vilten pantoffeltjes haastte hij zich door het paleis. Hij vroeg het aan iedereen die hij tegenkwam of ze weleens van een nachtegaal hadden gehoord. Hij vroeg het aan de dokter en aan de advocaat. Aan de hoofdkok en aan de opperstalmeester. Hij vroeg het zelfs aan de keukenmeid. Maar niemand wist er iets van. Gerustgesteld keerde hij terug naar de keizer. "U moet niet alles geloven wat u leest, Sire, die vogel bestaat niet", sprak hij ferm. "Drommelse lakei!", barstte de keizer uit. "Pardon Sire, ik ben uw hofmaarschalk!" Maar de keizer luisterde niet. "Dat boek waar ik dit in heb gelezen, kreeg ik van de keizer van Japan. En die liegt niet. Heb je dat gehoord? Ga die vogel voor me zoeken. En is hij er vanavond niet, dan zal mijn hele hofhouding vanavond gekieteld worden. Heel lang. Direct na het eten!", vervolgde hij grimmig.
 
Even later was het een drukte van belang in het paleis. Want nu haastte de hele hofhouding zich op de vilten pantoffeltjes door het paleis. Want gekieteld worden, direct na het eten? Nee, daar had niemand zin in. "Naaaaachtegaal, naaaaachtegaal!", hoorde je door het paleis. Uiteindelijk bereikte dit geroezemoes een klein keukenmeisje met brutale vlechten sproeten op haar neus. "Nachtegaal?", zei ze. "Natuurlijk ken ik die. Ik breng 's avonds altijd wat etensrestjes naar mijn arme moeder en als ik dan door het bos loop, dan hoor ik hem. Hij zingt zo mooi, dat ik ervan moet huilen." "Geweldig! Ik bevorder je tot hulpkokkin!", riep de hofmaarschalk. "En je mag één keer per week de keizer zien eten als je me nú naar die nachtegaal brengt!" Daar had het meisje wel oren naar. De etende keizer kon haar gestolen worden, maar hulpkokkin! Dat had ze haar hele leven al willen zijn! En daar gingen ze het bos in. Het kleine meisje met de vlechten, de hofmaarschalk en de hele hofhouding. Voor de gelegenheid hadden ze hun slofjes omgewisseld voor leren laarzen, want je weet het maar nooit in zo'n bos! Onderweg hoorden ze heel vaag in de verte een koe loeien. "Oh", kirde een hofdame. "Nachtegaal! Hoe mooi!" "Dat is slechts een koe, mevrouw", zie het meisje. "Een roodbonte als ik me niet vergis." Even later zei de hofmaarschalk: "Maar nu hoor ik hem toch heus. Tjonge, het lijkt wel een heel koor!" "Dat zijn de kikkers, meneer", glimlachte het meisje. Even later hoorden ze het: een beeldschoon gezang klonk door het groen. iedereen stond stil om te luisteren. Daar! Daar zit hij, wees het meisje met de vlechtjes. "Ach, wat een eenvoudige verschijning", sprak de hofmaarschalk teleurgesteld. "Wat is hij grijs en grauw!" Het meisje deed alsof ze de maarschalk niet hoorde. "Oh nachtegaal", riep ze, "wil jij zingen voor de keizer?" "Met het grootste plezier", tjilpte de nachtegaal en hij liet een paar trillers horen. "Eerwaarde nachtegaal", zei de hofmaarschalk, "De keizer is niet hier. Hij nodigt u uit om vanavond op het hof te komen zingen. En dat is een hele grote eer, weet u!" "Om eer geef ik niet", zei de nachtegaal. "Maar ik zal voor uw keizer zingen."
 
Het paleis was versierd met lampionnen en gekleurde slingers. En de keizer had zich nog eens goed laten oppoetsen in de tobbe. Glimmend van de zeep zat hij op zijn porseleinen troon. De hele hofhouding was aanwezig. Toen zong de nachtegaal. Hij zong zo prachtig, dat de tranen van ontroering de keizer in de ogen schoten. De nachtegaal zong en zong en zong. Iedereen voelde zich tot op het diepste van zijn ziel geraakt. "Wat mooi", zuchtte de keizer. "Nachtegaal, hoe kan ik je belonen?" De nachtegaal sprak beleefd: "Mijn mooiste beloning zijn de tranen in uw keizerlijke ogen, meer wens ik niet!" Vanaf  die tijd moest de nachtegaal aan het hof blijven en kreeg hij een eigen gouden kooi, waar hij drie keer per dag uit mocht. Dan gingen er twaalf bedienden met hem mee, die allen een zijden lint vasthielden dat aan één van zijn pootjes was vastgebonden. Tja, veel meer plezier was er niet te beleven voor de nachtegaal. Op een dag kwam er een groot pakket voor de keizer. "Kijk, weer een boek over mijn beroemde nachtegaal", mompelde hij. Maar het was geen boek. Het was een gouden, nagemaakte nachtegaal, bezaaid met de kostbaarste juwelen en robijnen. Er zat een lintje om zijn hals en daarop stond geschreven:
De nachtegaal van de keizer van Japan is nielig vergeleken met die van de keizer van China.
Je kon de vogel opwinden en dan zong hij nét als de echte nachtegaal, terwijl zijn zuiver gouden staartje op en neer wipte. Het was werkelijk een alleraardigst tafereel. De keizer klapte in zijn handen van vreugde. "Nóg een nachtegaal, ze moeten samen zingen. Een duet!" Maar dat ging niet zo gemakkelijk. Want de echte nachtegaal zong gewoon waar hij zin in had, terwijl de kunstnachtegaal steeds hetzelfde Japanse slaapliedje zong. Het was niet om áán te horen "Laat de kunstvogel alleen zingen", zei de hofkapelmeester. En iedereen luisterde vol bewondering naar de klanken van de kleine kunstvogel. "Laat nu de echte nachtegaal maar eens wat zingen. Dan kunnen we ze vergelijken." Maar die vogel was gevlogen. Door het open raam. De donkere nacht in. "Ach, we hebben hem niet nodig", zei de hofmaarschalk die altijd een beetje jaloers was geweest op de nachtegaal die zoveel aandacht kreeg. En hij begon een lange toespraak waarin hij zei dat de nepnachtegaal veel beter, mooier en betrouwbaarder was dan de echte nachtegaal. Nou, daar was iedereen het snel over eens. "Toon hem aan het volk! Iedereen moet de nachtegaal horen!", riep de keizer. Het volk juichte van enthousiasme. Ze klapten in hun handen, zeiden "YES" in het Chinees en keken elkaar ontroerd aan. De kunstnachtegaal kreeg een zijden kussen naast het keizerlijk bed. Elke avond en ochtend liet de keizer de vogel zingen. En als hij 's nachts de slaap niet kon vatten, dan liet hij de kunstvogel zingen tot hij met een glimlach om zijn mond in slaap viel. Op een dag gebeurde er iets verschrikkelijks. De keizer lag in bed naar zijn kunstnachtegaal te luisteren toen: Kloink. Krrr... krrr... krak. Er spring een metalen veer uit het vogeltje en het was stil. Doodstil.
 
De keizer liet onmiddellijk de hofdokter komen, maar ja, deze kon niet veel beginnen met zijn pilletjes en poedertjes. En de keizerlijke horlogemaker kreeg er na een nacht lang prutsen alleen de eerste twee tonen uit. De keizer was ontroostbaar. Hij was zo overweldigd door verdriet dat hij ziek werd. Heel ziek. De mensen in het paleis durfden alleen maar fluisterend over de keizer spreken. En het volk leefde in angst en beven, want iedereen hield van de keizer. Bleek, koud en slapjes lag de keizer in zijn bed. Men fluisterde dat hij misschien al dood was, maar niemand durfde gaan kijken.
 
Maar de keizer was niet dood. Hij tuurde door zijn wimpers heen naar de man, die door het open raam naar binnen scheen. Hij kon bijna geen adem halen. Toen hij zijn ogen open sloeg, zag hij waarom: op zijn borst zat de dood in eigen persoon. De dood had de gouden keizerkroon op zijn hoofd, het keizerlijk vaandel in zijn ene en het keizerlijk zwaard in zijn andere hand. Het was een gruwelijke aanblik. En uit de plooien van de gordijnen staarden vreemde gezichten hem aan. Er waren aardige gezichten bij, maar ook monsterlijke; dit waren de goede en de slechte daden die de keizer in zijn leven had verricht. De vriendelijke gezichten zeiden: "U was een goede keizer!" Maar de monsterlijke gezichten spraken veel harder. "Weet u nog hoe gemeen u toen was...  En weet u dit nog, en dit en dit?" Steeds harder schreeuwden ze de keizer zijn zonden toe. De keizer drukte zijn handen tegen zijn oren. "Nee! Was ik zo slecht? Het spijt me. Dit kan ik niet meer horen. Muziek! Muziek! Och vogel", sprak hij tot de kunst nachtegaal. "Zing toch. Alles zal ik je geven!" Maar de kunstvogel bleef zwijgen. "Goed", sprak de keizer. "Geen muziek meer in mijn leven. Dan moet ik maar dood." En het werd stil in de kamer. Doodstil... Tot er opeens een parelend geluid weerklonk. Het was de kleine grauwe nachtegaal. Hij zong, hij zong en zong... zo prachtig dat de geesten verbleekten en de keizer weer wat kleur op zijn wangen kreeg. Zelfs de dood luisterde. "Zing toch door", riep de dood toen de nachtegaal even zweeg. "Alleen als je dat gouden zwaard van de keizer geeft, en het keizerlijk vaandel en de gouden kroon", sprak de vogel. Dat deed de dood. De nachtegaal zong toen over het verre kerkhof, waar de maan de grafzerken beschijnt, waar de lelies geuren en waar het gras doordrenkt is van mensentranen. De dood kreeg zo'n verlangen naar her kerkhof, dat hij als een koude witte nevel door het open raam naar buiten vloog. "Mijn eeuwig dank, nachtegaal", sprak de keizer met tranen in zijn ogen. "Hoe kon ik zo wreed zijn. Ik heb je uit mijn rijk verbannen en nu red je mijn leven. Hoe kan ik je belonen?" "U hoeft mij niet te belonen", tjilpte het vogeltje. "U heeft mij beloond toen ik de eerste keer dat ik zong tranen in uw ogen zag. Ga nu slapen en word weer beter. Ik zal voor u blijven zingen." En terwijl de nachtegaal zong, viel de keizer in slaap.
 
Toen de eerste zonnestraaltjes door het raam naar binnen schenen, werd de keizer verkwikt wakker. "Je mag me nooit meer verlaten", zei hij. "Ik heb mijn nestje in het bos", sprak de vogel. "Maar ik zal komen wanneer u maar wilt. Dan zal ik zingen over het goed en het kwaad en over vreugde en verdriet in uw rijk. Want ik kom overal, bij de rijke keizer en de arme houthakker in het bos, Alleen één ding moet u mij beloven." "Wat je maar wilt", riep de keizer uit. "Vertel nooit dat het een kleine vogel is, die u de geheimen van uw rijk vertelt. Dan kunt u nog heel lang rechtvaardig en goed regeren." "Dat beloof ik", zei de keizer. Toen ging de deur zachtjes open. De hofmaarschalk en de kamerdienaren kwamen binnen om afscheid te nemen van de dode keizer "Goedemorgen!" zei de keizer.
 
De chinese nachtegaal
 
De nachtegaal In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en alle mensen om hem heen zijn ook Chinezen. Het is nu heel lang geleden, maar daarom is het juist de moeite waard om het verhaal te horen, voor het in vergetelheid raakt. Het paleis van de keizer was het mooiste van de wereld, helemaal van fijn porselein, heel kostbaar, maar zo breekbaar en zo gevaarlijk om aan te raken datje verschrikkelijk op moest passen. In de tuin zag je de wonderlijkste bloemen en aan de allermooiste waren zijveren belletjes gebonden, zodat je er niet voorbij kon gaan zonder de bloem te zien. Alles was heel geraffineerd in de tuin van de keizer en hij was zo uitgestrekt dat zelfs de tuinman niet wist waar hij ophield.

Als je doorliep, kwam je in een heel mooi bos met hoge bomen en diepe meren. Dat bos liep tot aan de zee, die blauw en diep was; grote schepen konden zo onder de takken door varen. In die takken woonde een nachtegaal die zo lieflijk zong dat zelfs de arme visser, die toch zoveel andere dingen te doen had, stil bleef liggen om te luisteren, als hij s' nachts zijn netten binnenhaalde en dan de nachtegaal hoorde. ‘Lieve hemel, wat is dat mooi!’ zei hij. Dan moest hij weer aan het werk en vergat hij de vogel; maar als die de volgende nacht weer zong en de visser weer op die plek was, dan zei hij hetzelfde: ‘Lieve hemel, wat is dat mooi!’ Uit alle landen van de wereld kwamen er reizigers naar de stad van de keizer. Ze bewonderden de stad, het paleis en de tuin, maar als ze de nachtegaal hoorden, zeiden ze allemaal: ‘dit is het mooiste!’ De reizigers vertelden erover als ze thuiskwamen en de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en de win, maar ze vergaten de nachtegaal niet.

Die stond bovenaan. En de mensen die gedichten konden schrijven, schreven de mooiste gedichten, allemaal over de nachtegaal in het bus aan de diepe zee.

Die boeken kwamen overal ter wereld terecht en een paar ervan kwamen op een keer de keizer onder ogen. Hij zat in zijn gouden stoel en las en las, hij knikte telkens met zijn hoofd, want het deed hem genoegen cm die prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en de win te horen. ‘Maar de nachtegaal is toch het allermooiste!’ stond er geschreven.

‘Wat krijgen we nou?’ zei de keizer. ‘De nachtegaal? Die ken ik helemaal niet! Is er zo’n vogel in mijn keizerrijk, en dan nog wel in mijn tuin? Dat heb ik nooit gehoord! Zoiets moet je dan net een boek vernemen!’ Toen riep hij zijn hofmaarschalk, die zo deftig was dat als iemand die lager in rang was dan hij, het waagde hem aan te spreken of hem iets te vragen, hij alleen maar ‘PP zei en dat betekent niets.

‘Er moet hier een hoogst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal wordt genoemd,’ zei de keizer. ‘Men zegt dat dit het allermooiste in mijn grote rijk is! Waarom heeft niemand me dat verteld?’ ‘ik heb hem nog nooit eerder horen noemen,’ zei de hofmaarschalk. ‘Hij is nooit aan het hof voorgesteld!’ ‘ik wil dat hij hier vanavond komt zingen,’ zei de keizer. ‘De hele wereld weet wat ik heb en ik weet het zelf niet!’ ‘ik heb hem nog nooit horen noemen!’ zei de hofmaarschalk. ‘ik zal hem zoeken, ik zal hem vinden!’ Maar waar was hij te vinden?

De hofmaarschalk liep alle trappen op en af, zalen en gangen door; niemand van degenen die hij tegenkwam, had van de nachtegaal gehoord en de hofmaarschalk ging weer naar de keizer en zei dat het waarschijnlijk een fabeltje was van de mensen die boeken schreven.

‘Uwe keizerlijke Majesteit moet niet geloven wat er geschreven wordt. Dat zijn verzinsels en dat is wat ze zwarte kunst noemen!’ ‘Maar het boek waar ik het in gelezen heb,’ zei de keizer, ‘is me door de verheven keizer van Japan gestuurd en dan kan het geen onwaarheid bevatten. Ik wil de nachtegaal horen! Vanavond moet bij hier zijn! Hij heeft mijn hoogste gunst! En komt hij niet, dan wordt het hele hof na het avondeten op de buik gestompt.’ ‘Tsing-pe!’ zei de hofmaarschalk en hij rende weer alle trappen op en af en alle gangen en zalen door; en het halve hof liep mee, want ze wilden niet zo graag op hun buik worden gestompt. Het was me een gevraag naar die merkwaardige nachtegaal, die de hele wereld kende, maar niemand aan het hof.

Tenslotte vonden ze een arm meisje in de keuken dat zei: ‘0 gut, de nachtegaal, die ken ik best. Die kan pas zingen! Iedere avond mag ik wat restjes van tafel naar mijn arme, zieke moeder brengen. Die woont bij het strand en als ik dan terugga en in het bos even uitrust, omdat ik moe ben, dan hoor ik de nachtegaal zingen! ik krijg er tranen van in mijn ogen, het is net of je moeder je kust!’ ‘Keukenmeisje,’ zei de hofmaarschalk, ‘ik zal je een vaste aanstelling in de keuken bezorgen en toestemming om de keizer te zien eten, als je ons naar de nachtegaal kunt brengen, want hij moet vanavond komen!’ Toen gingen ze allemaal het bos in waar de nachtegaal meestal zong; het halve hof was erbij.

Toen ze al een eind op weg waren, begon er een koe te loeien.

‘0!’ zeiden de hofjonkers. ‘Nu hebben we hem! Wat een kracht zit er nog in een dergelijk klein diertje! Toch heb ik het al eens eerder gehoord!’ ‘Nee, dat zijn de koeien!’ zei het keukenmeisje. ‘We zijn er nog een flink stuk vandaan!’ De kikkers begonnen te kwaken in de vijver.

‘Prachtig!’ zei de Chinese hofpredikant. ‘ik boor het, het lijken wel kerkklokjes!’ ‘Nee, dat zijn de kikkers!’ zei het keukenmeisje. ‘Maar nu zullen we hem wel gauw horen!’ Toen begon de nachtegaal te zingen.

‘Dat is hem,’ zei het meisje. ‘Luister goed! En daar zit hij!’ Toen wees ze een klein, grijs vogeltje op een tak aan.

‘Hoe is het mogelijk?’ zei de hofmaarschalk. ‘Zo had ik me hem nooit voorgesteld! Wat ziet hij er ordinair uit! Hij is zeker van kleur verschoten, toen hij zoveel deftige mensen op bezoek kreeg!’ ‘Nachtegaaltje! ' riep het keukenmeisje heel hard.. ‘Onze genadige keizer wil zo graag datje voor hem zingt!’ ‘Met het grootste genoegen!’ zei de nachtegaal en zong dat het een lust was.

‘Het lijken wel glazen klokjes!’ zei de hofmaarschalk. ‘En kijk dat keeltje, hoe dat tekeer gaat! Gek dat we het nog nooit gehoord hebben! Hij zal een succes aan het hof zijn’.

‘Moet ik nog eens voor de keizer zingen?’ vroeg de nachtegaal, die dacht dat de keizer erbij was.

‘Voortreffelijk nachtegaaltje,’ zei de hofmaarschalk, ‘ik heb de grote eer je vanavond voor een hoffeest uit te nodigen, waar u Zijne Hoge Keizerlijke Genade met uw charmante zang zult verrukken!’ ‘Het klinkt beter in het groen!’ zei de nachtegaal, maar hij wilde best mee toen hij hoorde dat het de wens van de keizer was.

In het paleis waren funk wat voorbereidingen getroffen! Aan de muren en de vloer, die van porselein waren, blonken duizenden gouden lampjes. De mooiste bloemen, die konden klingelen, waren in de gangen neergezet. Het was me een geloop en een tocht, maar dan gingen de belletjes juist klingelen. Horen en zien verging je.

Midden in de zaal waar de keizer zat, was een gouden stokje aangebracht en daar moest de nachtegaal op zitten. Het hele hof was er en het keukenmeisje had toestemming gekregen om achter de deur te staan, omdat ze nu een vaste aanstelling had. Ze hadden allemaal hun mooiste kleren aan en ze keken allemaal naar het kleine, grijze vogeltje dat door de keizer werd toegeknikt.

De nachtegaal zong zo mooi dat de keizer tranen in zijn ogen kreeg. De tranen rolden hem over de wangen en toen zong de nachtegaal nog mooier, het ging recht naar je hart. De keizer was heel blij en hij zei dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel aan zijn hals mocht dragen.

Maar de nachtegaal bedankte; hij was al genoeg beloond.

‘ik heb tranen in de ogen van de keizer gezien, dat is mij het meeste waard! De tranen van een keizer hebben een wonderlijke macht. God is mijn getuige dat ik genoeg ben beloond!’ En toen zong hij weer met zijn mooie, lieflijke stem.

‘De beminnelijkste koketterie die ik ooit heb gezien!’ zeiden de dames die erom heen stonden en toen namen ze een slokje water in hun mond om te klokken als iemand tegen ze sprak: ze dachten dat ze dan ook nachtegalen waren. Zelfs de lakeien en de kamermeisjes lieten weten dat ze ook tevreden waren en dat betekent heel wat, want die kun je het het allermoeilijkst naar de zin maken. Ja, de nachtegaal had echt succes! Toen moest hij aan het hof blijven. Hij kreeg zijn eigen kooi, alsmede de vrijheid om twee keer op een dag en één keer ‘s nachts uit te gaan. Twaalf dienaren kreeg hij mee; die hadden allemaal een zijden lint aan zijn poot gebonden en dat hielden ze goed vast. Een dergelijk uitstapje, daar was niks aan.

De hele stad had het over die merkwaardige vogel en als twee mensen elkaar ontmoetten, dan zei de een alleen maar ‘nacht!’ en de ander zei: ‘egaal!’ en dan zuchtten ze en begrepen elkaar. Er werden zelfs elf kruidenierskinderen naar hem genoemd, maar niet één daarvan kon wijs houden.

Op een dag kwam er een groot pakket voor de keizer; er stond op geschreven: Nachtegaal.

‘Daar hebben we nog een boek over onze beroemde vogel,’ zei de keizer; maar het was geen boek, het was iets heel kunstigs in een doosje. Een namaaknachtegaal, die op de levende moest lijken, maar die helemaal bezet was met diamanten, robijnen en saffieren.

Zodra je die kunstvogel opwond, kan hij een van de wijsjes zingen die de echte ook zong. en dan ging zijn staart open neer en die glinsterde van het zijver en het goud. Er zat een lintje om zijn hals en daarop stond geschreven: ‘De nachtegaal van de keizer van Japan is armzalig vergeleken bij die van de keizer van China.’ ‘Hij is prachtig!’ zeiden ze allemaal en degene die hem was komen brengen, kreeg meteen de titel van keizerlijke oppernachtegaalbrenger.

‘Nu moeten ze samen zingen! Wat een duet zal dat worden!’ En toen moesten ze samen zingen, maar dat wilde niet echt lukken, want de echte nachtegaal zong op zijn manier en de kunstvogel liep op radertjes. ‘Die treft geen blaam!’ zei de kapelmeester. ‘Hij houdt heel goed maat en hij behoort tot mijn school!’ Toen moest de kunstvogel alleen zingen. Hij had net zoveel succes als de echte en dan was hij ook nog zoveel aardiger om te zien: hij blonk als armbanden en broches.

Drieëndertig keer zong hij hetzelfde stuk en nog was hij niet moe. De mensen hadden het best weer van voren af aan willen horen, maar de keizer vond dat de levende nachtegaal nu wat moest zingen.

Maar waar was die? Niemand had gemekt dat de vogel door het open raam was weggevlogen, naar zijn groene bos toe.

‘Wat heeft dat te betekenen?’ zei de keizer; en alle hovelingen mopperden en vonden de nachtegaal een bijzonder ondankbaar dier. ‘Maar de beste vogel hebben we nog!’ zeiden ze, en toen moest de kunstvogel weer zingen en dat stuk hoorden ze voor de vierendertigste keer, maar ze kenden het nog niet helemaal, want het was zo moeilijk. En de kapelmeester kwam woorden tekort om de vogel te prijzen en gaf hun de verzekering dat hij heter was dan de echte nachtegaal, niet alleen wat zijn kleding betrof en al die mooie edelstenen, maar ook inwendig.

‘Want ziet n, dames en heren, en de keizer vooral, bij de echte nachtegaal kun je nooit uitrekenen wat er komt, maar bij de kunstvogel ligt alles vast: dat komt er en niets anders! Je kunt het uitleggen, je kunt hem openmaken en het menselijke vernuft laten zien: hoe de radertjes liggen, hoe ze draaien en hoe het een uit het ander volgt!’ ‘Hij neemt me de woorden uit de mond!’ zeiden ze allemaal en de kapelmeester. kreeg toestemming om de vogel de volgende zondag aan het volk te tonen; ze moesten hem ook horen zingen, zei de keizer. En ze hoorden hem en ze waren zo vergenoegd of ze een slokje thee te veel op hadden, want dat is echt Chinees. En toen zei iedereen ‘a!’ en stak de vinger in de lucht die men Likkepot noemt, en toen knikten ze; maar de arme vissers die de echte nachtegaal hadden gehoord, zeiden: ‘Het klinkt best mooi, het lijkt ook wel, maar er ontbreekt iets aan, ik weet met wat!’ De echte nachtegaal was uit het rijk verbannen.

De kunstvogel had een plaatsje op een zijden kussen naast het bed van de keizer. Alle cadeautjes die hij had gekregen, goud en edelstenen, lagen om hem been en hij had als titel: ‘Hoogkeizerlijke nachtkastjeszanger’, in rang Nummer één links. Want de kant waar het hart zit, vond de keizer het deftigst, en ook bij een keizer zit het hart links.

En de kapelmeester schreef vijfentwintig dikke boeken over de kunstvogel, heel geleerd en met de allermoeilijkste Chinese woorden erin, zodat alle mensen zeiden dat ze ze gelezen en gesnapt hadden, want anders zouden ze immers dom zijn en op hun buik worden gestompt.

Zo ging er een heel jaar voorbij; de keizer, het haf en alle andere Chinezen kenden ieder piepje in het gezang van de kunstvogel uit het hoofd, maar juist daarom vonden ze het zo leuk; ze konden zelf meezingen en dat deden ze ook. De straatjongens zongen: ‘Zizizi! Khakklokklok!’ en de keizer zong het ook! Het was echt leuk! Maar op een avond, toen de kunstvogel juist aan het zingen was en de keizer er in zijn bed naar lag te luisteren, zei het ‘knap’ binnen in de vogel; er sprang iets: ‘zrrrrr!’, De radertjes snorden rond en toen hield de muziek op.

De keizer sprong meteen zijn bed uit en het zijn lijfarts roepen, maar die kon niets doen.

Toen lieten ze de horlogemaker halen en na veel heen en weer gepraat en veel gezoek kreeg hij de vogel weer min of meer gerepareerd, maar hij zei dat hij ontzien moest worden, want de tandwieltjes waren versleten en het was onmogelijk er nieuwe in te zetten en de muziek zuiver te houden. Dat was me een verdriet! Nog maar één keer per jaar durfden ze de kunstvogel te laten zingen en dat was nog niet om aan te horen.

Maar dan hield de kapelmeester een kleine toespraak met al die moeilijke woorden, en als hij zei dat het even goed was als vroeger en dan was het even goed als vroeger.

Toen waren er vijf jaar voorbij en alle mensen in het hele hand hadden groot verdriet, want eigenlijk hielden ze allemaal van hun keizer; nu was hij ziek en hij moest sterven, zeiden ze. Ze hadden al een nieuwe keizer gekozen en de mensen stonden op straat en vroegen aan de hofmaarschalk hoe hun keizer het maakte.

‘P!’ zei hij en schudde zijn hoofd.

Koud en bleek lag de keizer in zijn grote praalbed, het hele hof dacht dat hij dood was en iedereen ging de nieuwe keizer begroeten! De kamerdienaars gingen naar buiten om erover te praten en de kamermeisjes hielden een uitgebreid koffiekransje. In alle zalen en gangen waren kleden neergelegd zodat je niemand kon horen lopen; en daarom was het er a zo stil.

Maar de keizer was nog niet dood; stijf en bleek lag hij in zijn prachtige bed met de lange fluwelen gordijnen en de zware gouden kwasten; er stond een raampje open, haag in de muur, en de maan scheen op de keizer en op de kunstvogel.

De arme keizer kon nu bijna geen lucht meer krijgen, het leek wel of er iets op zijn borst drukte; hij sloeg zijn ogen op en toen zag hij dat de dood op zijn borst zat en zijn gouden kroon had opgezet. In zijn ene hand had hij de gouden sabel van de keizer, in de andere hand zijn prachtige vaandel. Uit de plooien van de fluwelen bedgordijnen staken overal rare hoofden, sommige heel akelig, andere heel zacht en vriendelijk. Dat waren alle goede en slechte daden van de keizer, die hem aankeken terwijl de dood op zijn hart zat.

‘Weet je dat nog?’ fluisterde de een tegen de ander. ‘Weet je dat nog?’ en ze vertelden hem zoveel dat het zweet hem op het voorhoofd stond..

‘Dat heb ik nooit geweten!’ zei de keizer. ‘Muziek, muziek, de grote Chinese trom!’ riep hij. ‘ik wil niet alles horen wat ze zeggen!’ En ze gingen maar door, en de Dood knikte als een Chinees bij alles wat er werd gezegd.

‘Muziek, muziek!’ schreeuwde de keizer. ‘Lieve, zoete gouden vogel, zing dan, zing dan toch, ik heb je goud en kostbaarheden gegeven, ik heb je persoonlijk mijn gouden pantoffel om de hals gehangen, zing dan, zing dan toch!’ Maar de vogel bleef stil zitten. Er was niemand om hem op te winden en uit zichzelf zong hij niet; maar de Dood bleef de keizer met zijn grote, lege oogkassen aankijken en het was er heel stil, verschrikkelijk stil.
Op dat moment klonk er, bij het raam, een prachtig gezang. Het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een tak zat. Hij had van de nood van de keizer gehoord en daarom was hij gekomen om hem hoop en troost toe te zingen. Onder het zingen werden de gestalten steeds bleker, het bloed ging sneller stromen in de zwakke ledematen van de keizer en de dood luisterde mee en zei: ‘Ga door, nachtegaaltje, ga door!’ ‘Als je mij die prachtige gouden sabel geeft, als je mij dat rijk versierde vaandel geeft, als je mij de kroon van de keizer geeft!’ En de dood gaf ieder kleinood voor een lied, en nog ging de nachtegaal door met zingen. Hij zong van het stille kerkhof waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt en waar het groene gras met de tranen van de levenden wordt besproeid; toen begon de dood naar zijn tuin te verlangen en als een koude, witte mist zweefde hij het raam uit.

‘Dankjewel, dankjewel!’ zei de keizer. ‘Hemelse vogel, ik ken je wel, ik heb je uit mijn rijk verjaagd en toch heb je die boze gestalten bij mijn bed verjaagd en de Dood van mijn hart af gekregen! Hoe kan ik je belonen?’ ‘Je hebt me al beloond!’ zei de nachtegaal. ‘ik heb tranen in je ogen gezien, de eerste keer dat ik zong, dat vergeet ik nooit! Dat zijn de juwelen die het hart van een zanger goed doen! Maar probeer nu wat te slapen om weer gezond en sterk te worden. Dan zal ik voor je zingen!’ En hij zong — en de keizer viel in een zoete slaap, een rustige, verkwikkende slaap.

De zon scheen door het raam bij hem naar binnen, toen hij gesterkt en gezond wakker werd. Geen van zijn dienaren was nog teruggekomen, want ze dachten dat hij dood was, maar de nachtegaal zat nog steeds te zingen.

‘Je moet altijd bij me blijven!’ zei de keizer. ‘Je hoeft alleen maar te zingen als je zelf wilt en de kunstvogel sla ik in duizend stukken.’ ‘Doe dat nou niet,’ zei de nachtegaal, ‘die heeft gedaan wat hij kon! Hou hem gewoon! Ik kan niet in het paleis komen wonen, maar laat me maar komen als ik zelf zin heb, dan ga ik ‘s avonds op die tak bij het raam zitten en dan zing ik voor je zodat je blij wordt, maar ook gaat nadenken! Ik zal over geluk zingen en over verdriet. ik zal zingen over goed en kwaad dat ze voor je verborgen houden! Een kleine zangvogel komt overal: bij de arme visser, onder het dak van de boer, bij iedereen die ver van jou en je hof vandaan is! Ik hou meer van je hart dan van je kroon en toch hangt er om die kroon een geur van heiligheid — ik kom, ik zal voor je zingen! Maar één ding moet je me beloven!’ ‘Alles!’ zei de keizer, en hij stond daar in zijn keizerlijk gewaad dat hij zelf had aangetrokken en hij hield de sabel, die zwaar was van het goud, aan zijn hart.

‘Eén ding vraag ik je: vertel niemand dat je een vogeltje hebt dat je van alles vertelt, dan gaat het nog beter!’

En toen vloog de nachtegaal weg.

De dienaren kwamen naar hun dode keizer kijken, daar stonden ze te kijken en de keizer zei: ‘Goedemorgen!’ 
 

De wonderlijke speelman
Gebroeders Grimm
 
Er was eens een wonderlijke speelman, die moederziel alleen door het bos ging en dacht over dit en dacht over dat, maar toen er niets meer was om over te denken, zei hij bij zichzelf: "Mij valt de tijd hier in 't bos te lang: ik zal een goede kameraad gaan halen." Toen nam hij zijn viool van zijn rug en fiedelde, dat het schalde door de bomen. Niet lang daarna kwam een wolf door de struiken aangerend. "Och! een wolf! Daar verlang ik niet naar," zei de speelman. Maar de wolf trad nader en zei tegen hem: "Lieve speelman, wat fiedel je mooi! Dat zou ik ook graag leren." - "Dat leer je gauw," zei de speelman, "je moet alleen maar nadoen wat ik zeg." - "O speelman," zei de wolf, "ik zal nadoen wat je zegt, als een leerling een meester." De speelman beval hem mee te gaan en toen ze een eind gelopen hadden, kwamen ze bij een oude eikenboom, die van binnen hol was en in 't midden gespleten. "Kijk," zei de speelman, "als je wilt leren fiedelen, leg dan je voorpoten op deze spleet." De wolf deed het, maar de speelman pakte een steen en keilde daarmee de beide poten zo vast in de spleet, dat hij gevangen was. "Wacht maar tot ik terugkom," zei de speelman en hij ging.

Na een poosje sprak hij weer bij zichzelf: "Mij valt de tijd hier in ‘t bos zo lang, ik wil een andere kameraad gaan halen." Hij nam zijn viool en fiedelde weer het bos in. Niet lang daarop kwam een vos tussen de bomen aangeslopen. "Ach, daar komt de vos," zei de speelman, "daar verlang ik niet naar." De vos kwam dichterbij en sprak: "Lieve speelman, wat fiedel je mooi! Dat zou ik ook graag leren!" - "Dat leer je gauw," zei de speelman, "je moet alleen maar precies doen wat ik zeg." - "O speelman," zei de vos, "ik zal nadoen wat je zegt, als een leerling een meester." - "Ga maar mee," zei de speelman en toen ze een eind gelopen hadden, kwamen ze op een voetpad tussen hoge struiken. De speelman hield stil, boog van de ene kant een hazelstruik naar de grond, ging met zijn voet op de top staan; dan boog hij van de andere kant nog een boompje omlaag en zei: "Nu vosje, als je wat leren wilt, geef me dan eens je linker voorpoot." De vos deed het, en de speelman bond zijn poot aan de linkerboom. "Vosje," zei hij, "nu je rechter"; die bond hij aan de rechter stam. Hij keek nog eens of de knopen stevig zaten; toen liet hij los en de boompjes zwiepten omhoog en het vosje mee, dat in de lucht hing en trappelde. "Wacht maar tot ik terug kom," zei de speelman en verdween.

Nog eens zei hij bij zichzelf: "Mij valt de tijd hier in ‘t bos zo lang, ik wil een andere kameraad gaan halen." Hij nam zijn viool, en de klank schalde in het bos. Daar kwam een haasje aangesprongen. "Och, een haas," zei de speelman, "die bedoelde ik ook niet." - "Ach lieve speelman," zei het haasje, "wat fiedel je mooi, dat zou ik ook zo graag leren." - "Dat is gauw genoeg geleerd," zei de speelman, "je moet alleen maar precies doen wat ik zeg." - "O speelman," antwoordde het haasje, "ik zal u volgen als een leerling zijn meester." Zij gingen samen een eind verder tot ze op een lichte plek in het bos kwamen, waar een espenboom stond. De speelman bond het haasje een lang snoer om de hals, en knoopte het andere eind aan de boom. "Hup, mijn haasje!" zei hij, "spring nu een twintigmaal om de boom heen." En ‘t haasje deed het en toen het twintigmaal om de boom gesprongen was, was het snoer twintigmaal om de boom heen gewikkeld, en ‘t haasje was gevangen. Het mocht rukken en trekken, zo hard het kon - het snoer sneed des te vaster om zijn zachte halsje. "Wacht maar tot ik terugkom," zei de speelman en ging verder.

Intussen had de wolf gerukt, getrokken, aan de steen gebeten en zo lang gewerkt tot hij zijn poten vrij had en ze weer uit de spleet had gekregen. Woedend en ziedend ijlde hij de speelman na om hem te verscheuren. Maar toen de vos hem zag lopen, begon hij te schreeuwen en riep uit alle macht: "Broer Wolf, help, help, de speelman heeft me bedrogen." De wolf trok de boompjes omlaag, beet de snoeren stuk en maakte de vos vrij; toen gingen ze samen op weg om zich op de speelman te wreken. Toen vonden ze het haasje, dat ze ook bevrijdden en zo gingen ze allemaal samen de vijand opzoeken. Maar de speelman had intussen nog eens gefiedeld dat het bos daverde, en nu had hij meer geluk. De tonen drongen door tot een arme houthakker, die dadelijk, tegen wil en dank zijn werk in de steek liet, de bijl op de schouder nam en aan kwam lopen om de muziek te horen. "Eindelijk komt daar de ware kameraad," zei de speelman, "ik moest een mens hebben en geen wilde dieren." En hij begon en speelde zo mooi, zo heerlijk dat de arme man als betoverd bleef staan en het hart hem van vreugde openging. Terwijl hij zo stond als aan de grond genageld, kwamen de wolf, en de vos, en het haasje aan, en hij zag wel dat ze kwaad in de zin hadden. Daar hief hij zijn blinkende bijl en ging voor de speelman staan als hij wilde zeggen: "Wie hem kwaad wil doen, die moet oppassen, of hij krijgt met mij te doen." Toen werden de dieren bang en liepen terug naar ‘t bos, maar de speelman speelde nog eens voor de man en trok toen pas verder.